Urbi et orbi - Professionele platformen en de GDPR

Herman
Buyssens
30 oktober 2018
In een kort geding beslissing van 6 april 2018, veroordeelde de Tribunal de Grande Instance van Parijs Google tot het verwijderen op Google My Business (GMB), een gratis professioneel zoekplatform , van de fiche van een persoon, die zonder zijn toelating was ingeschreven.De uitspraak is transponeerbaar naar België.

In haar vonnis oordeelde de rechtbank van Parijs dat de naam, voornaam en coördinaten van een tandheelkundige persoonsgegevens waren, die genoten van de bescherming van de GDPR en die derhalve niet mochten worden verwerkt zonder de toestemming van de betrokkene.

Het argument van Google dat het hier zou gaan om gegevens met betrekking tot een professionele activiteit van de persoon in kwestie,  doet – aldus de rechtbank – geen afbreuk aan de wettelijke bescherming van persoonsgegevens die niet alleen verleend wordt aan inlichtingen met betrekking tot het privéleven.

De rechtbank verweet aan Google deze persoonsgegevens te hebben verwerkt met commerciële prospectie als doelstelling, niettegenstaande het verzet van de betrokken persoon.

Met name werd de fiche door Google gebruikt om e-mails te verzenden met het voorstel te betalen voor de toevoeging op de fiche van publicitaire vermeldingen om zo de doeltreffendheid ervan te verhogen via Google AdWords Express.

Een zelfde beslissing zou kunnen worden geveld door een Belgische rechter op basis van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2018 en waarmee de GDPR in België werd geïmplementeerd.
De begrippen persoonsgegevens en verwerking zijn deze van de GDPR zoals in Frankrijk.

Krachtens artikel 209 van deze wet is een stakingsvordering voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg, zitting houdende zoals in kort geding en strekkende tot de verwijdering van onrechtmatig verwerkte persoonsgegevens mogelijk.

Overeenkomstig artikel 216 kan de eiser een schadevergoeding vorderen op grond van het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. 
Strafsancties worden voorzien in de artikelen 222 e.v.

Met betrekking tot de beoefenaars van vrije beroepen, zoals advocaten, kan wel de vraag rijzen of dezelfde bescherming kan worden ingeroepen wanneer de vrije beroeper zijn beroep uitoefent onder vennootschap en niet als natuurlijk persoon.

Een vennootschap kan immers de toepassing van de GDPR niet inroepen.

(Deze tekst verschijnt eveneens in het tijdschrift Today's Lawyer) blogs overzicht