Het zwijgrecht en de belemmering van het toezicht door de Sociale Inspectie

Herman
Buyssens
23 januari 2026

Deze bijdrage heeft als oogmerk op te komen tegen de kennelijk onwettige wijze waarop leden van de Sociale Inspectie handelen bij de ondervraging van mogelijke getuigen, die weigeren een verklaring af te leggen en zich beroepen op hun zwijgrecht.

Eén van de recent door de Sociale Inspecties toegepaste tactieken bij een inval bij een bedrijf – een zogenaamd onaangekondigde controle – bestaat erin de aanwezige werknemers op intimiderende wijze te dwingen een verklaring af te leggen.

Doen ze het niet, dan dreigt de Sociale Inspectie een proces-verbaal wegens belemmering van toezicht op te stellen.

Er wordt voorgehouden dat het niet afleggen van een verklaring wettelijk niet kan, wat belemmering van toezicht uitmaakt en dat de werknemers bij het opstellen van een proces-verbaal om die reden, tot een boete zullen worden veroordeeld.

Als de werknemers onder deze ontoelaatbare en onwettige druk niet bezwijken, dan wordt effectief een proces-verbaal wegen belemmering van toezicht opgesteld en worden de werknemers nadien op het kantoor van de Sociale Inspectie uitgenodigd voor een verhoor.

Bij dit verhoor worden zij dan wel als verdachten beschouwd, wordt hen kennis gegeven van hun rechten, maar is het evident dat de verklaring die zij dan afleggen, onder druk van de door de Sociale Inspectie stellig bevestigde dreiging dat zij blootstaan aan een zware boete,  onmogelijk beschouwd kan worden als afgelegd uit vrije wil.

Deze bedenkelijke en onwettige werkwijze roept een aantal vragen op.

De eerste is of, zoals de Sociale Inspectie beweert, het louter bewaren van het stilzwijgen, het zich beroepen op het zwijgrecht, een belemmering van toezicht zou kunnen uitmaken in de zin van de wet.

Dit is natuurlijk manifest onjuist.

Verhindering van toezicht
De verhindering kan voortkomen uit hetzij het feit zich te verzetten tegen de sociale inspecteurs die vrij hun opdrachten moeten kunnen uitoefenen en gebruik maken van hun wettelijke bevoegdheden, hetzij door het feit foutieve inlichtingen aan hen te geven.

Een vrij volledig overzicht van de diverse toepassingen wordt gegeven door G. Van De Mosselaer (Van De Mosselaer G., De organisatie van sociale fraudebestrijding en de bevoegdheden van de sociale inspecteurs in het licht van het Sociaal Strafwetboek, Wolters Kluwer Belgium, 2025, 199-200).

Deze auteur schrijft dat een passieve weerstand in een bepaald geval bepalend kan zijn voor het weerhouden van de belemmering van het toezicht.

Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe : “Dit principe kent echter twee uitzonderingen : het recht op stilzwijgen en het recht om niet bij te dragen tot de eigen beschuldiging” (Van De Mosselaer G., l.c., 200).

Het zwijgrecht is een algemeen strafrechtelijk rechtsbeginsel.

Het is een recht dat deel uitmaakt van de waarborgen van een eerlijk proces en dat opgenomen is in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en goedgekeurd door de Belgische wetgever.

Deze internationale norm heeft voorrang op het intern recht en kent geen specifieke uitzondering in het Sociaal Strafrecht.

Men kan anderzijds iemand ook niet dwingen om samen te werken bij de opsporing van de waarheid als dat tegenstrijdig is met zijn belangen : de rechtspraak van het EHRM bevestigt dat het zwijgrecht gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Hoedanigheid van de persoon waarin hij wordt verhoord
De Sociale Inspectie huldigt de regel dat als zij een burger verhoort als getuige, deze niet over een zwijgrecht zou beschikken en dat dit zwijgrecht maar zou voorbehouden zijn aan de verdachte.

Dit is onjuist : de ondervraagde persoon zal zijn zwijgrecht mogen uitoefenen ongeacht in welke hoedanigheid hij wordt verhoord : verdachte, slachtoffer, getuige onder eed of persoon gehoord om inlichtingen (zie Koning F., Ik word verhoord – wat nu? Wolters Kluwer 2015, 31).

Het maakt geen verschil dat de ondervrager zou beweren dat de gestelde vragen worden gesteld als getuige en dat zij niet tot zelfincriminatie zouden kunnen leiden : indien de ondervraagde persoon dit anders aanvoelt, volstaat dit om zijn zwijgrecht uit te oefenen door niet te antwoorden.

Het is m.a.w. de ondervraagde persoon die vrij beslist al dan niet te antwoorden op de vragen die worden gesteld, wat de ondervrager ook mag zeggen m.b.t. deze vragen (cf. Koning F., o.c., 32, voetnoot 53, met verwijzing naar het arrest Saunders van het EHRM).

Het dient ook te worden onderstreept dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen een getuigenis, dat is een verklaring van een persoon die onder eed deze verklaring aflegt voor de rechter en de verklaring van een persoon aan de Procureur des Konings, de Politie of de Sociale Inspectie.

Deze laatste geldt enkel als een inlichting. Nergens is bepaald dat tijdens een opsporingsonderzoek een getuige verplicht is de waarheid te spreken en op elke vraag moet antwoorden, zoals wel door de wet is voorgeschreven voor de getuigenis onder eed (cf. De Smet B., “De uitsluitingsregel”, in Eed in strafzaken, APR-reeks, Wolters Kluwer, 2023, p. 252, nr. 506).

Terecht wordt bovendien gesteld dat in het Belgisch recht geen overtreding “storing van het strafrechtelijk onderzoek”  zou bestaan die op straffe van een boete of een andere strafrechtelijke sanctie aan de betrokkene een medewerkingsplicht zou opleggen om zijn schuld te bekennen of zelf- incriminerende informatie te bezorgen.

De belemmering van toezicht (artikel 28 en 209 van het Sociaal Strafwetboek) daarentegen betreft een materiële belemmering en niet het loutere feit van weigeren op vragen te antwoorden en het zwijgrecht uit te oefenen (cf. Koning F., o.c., 36, voetnoot 60).

Het is dan ook onaanvaardbaar dat de Sociale Inspectie, zoals zij effectief poogt, onder het valse voorwendsel van het zich niet kunnen beroepen op het zwijgrecht als getuige, werknemers ondervraagt zogenaamd als getuige, waarbij zij verplicht zouden worden verklaringen af te leggen,  waarmee zij zichzelf incrimineren als dader, mededader of medeplichtige aan sociale of fiscale misdrijven, om dan nadien die verklaringen te gebruiken bij de mogelijke vervolging van diezelfde werknemers.

Het kunstmatig onderscheid dat de Sociale Inspectie daarbij blijkbaar wil maken tussen de hoedanigheid van “getuige” en deze van “verdachte” is niet ernstig.

De verklaringen die de inspectie dus op deze wijze afdwingt onder dwang en onwettige druk, dienen als nietig te worden beschouwd en kunnen niet bijdragen tot enige schuldigverklaring, noch van de betrokken werknemers zelf, noch van hun werkgever.

Wat het zwijgrecht aangaat, gesteund op het non-self-incrimination principe, kan bovendien worden aangestipt dat de door de inspectie verhoorde getuige, zich naast zijn eigen zwijgrecht,  meestal ook kan beroepen op het zwijgrecht van de vennootschap rechtspersoon die verdacht wordt en waarvoor hij werkzaam is.

Gelijk immers wie taken uitvoert voor de rechtspersoon, kan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in gedrang brengen en kan dus ook het zwijgrecht van die rechtspersoon inroepen (Deruyck F. en Waeterinckx P., “De rechtspersoon in het Strafprocesrecht – nieuwe ontwikkelingen”, in Traest P., Verhage A. en Vermeulen G. (eds.), Strafrecht en Strafprocesrecht :doel of middel in een veranderende samenleving?”, Wolters Kluwer, 2017, pp. 601-604, nrs. 24-25).

Tenslotte dient te worden onderstreept dat inspecteurs, die de hoger aangehaalde onwettige tactiek toepassen, des te meer in de fout gaan, indien zij geen uitvoering geven aan de cautieplicht, die overeenkomstig artikel 62 Sociaal Strafwetboek op hen rust m.b.t. de regels die bij het verhoor in acht dienen te worden genomen.

Wat meer is, werd in de parlementaire voorbereiding van de zogenaamde “Wet Franchimont” een duidelijke oproep gedaan om de waarborgen van de ondervraagde bij verhoren uit te breiden naar alle verhoren, d.w.z. ook de verhoren die door de inspectie worden afgenomen buiten elk strafrechtelijk onderzoek om (zie S. Renette, “Het verhoor door een sociaal inspecteur”, Arbeidsrecht Journaal, 16 maart 2022, nrs. 2-6).

Renette schrijft dat op het terrein de praktijk de theorie zou hebben ingehaald in de zin dat de belangrijkste sociale inspectiediensten in gemeenschappelijk overleg zouden hebben beslist om bij het afnemen van een verhoor de voorschriften van artikel 47bis S.v. vrijwillig toe te passen (S. Renette, l.c., nr. 6).

Dit is echter nog geen veralgemeende praktijk, zo hebben wij tot onze spijt op het terrein mogen ervaren.

blogs overzicht