Het zwijgrecht en de belemmering van het toezicht door de Sociale Inspectie
Deze bijdrage heeft als oogmerk op te komen tegen de kennelijk onwettige wijze waarop leden van de Sociale Inspectie handelen bij de ondervraging van mogelijke getuigen, die weigeren een verklaring af te leggen en zich beroepen op hun zwijgrecht.
Eén van de recent door de Sociale Inspecties toegepaste tactieken bij een inval bij een bedrijf – een zogenaamd onaangekondigde controle – bestaat erin de aanwezige werknemers op intimiderende wijze te dwingen een verklaring af te leggen.
Doen ze het niet, dan dreigt de
Sociale Inspectie een proces-verbaal wegens belemmering van toezicht op te
stellen.
Er wordt voorgehouden dat het
niet afleggen van een verklaring wettelijk niet kan, wat belemmering van
toezicht uitmaakt en dat de werknemers bij het opstellen van een proces-verbaal
om die reden, tot een boete zullen worden veroordeeld.
Als de werknemers onder deze
ontoelaatbare en onwettige druk niet bezwijken, dan wordt effectief een
proces-verbaal wegen belemmering van toezicht opgesteld en worden de werknemers
nadien op het kantoor van de Sociale Inspectie uitgenodigd voor een verhoor.
Bij dit verhoor worden zij dan
wel als verdachten beschouwd, wordt hen kennis gegeven van hun rechten, maar is
het evident dat de verklaring die zij dan afleggen, onder druk van de door de
Sociale Inspectie stellig bevestigde dreiging dat zij blootstaan aan een zware
boete, onmogelijk beschouwd kan worden als
afgelegd uit vrije wil.
Deze bedenkelijke en onwettige
werkwijze roept een aantal vragen op.
De eerste is of, zoals de Sociale
Inspectie beweert, het louter bewaren van het stilzwijgen, het zich beroepen op
het zwijgrecht, een belemmering van toezicht zou kunnen uitmaken in de zin van
de wet.
Dit is natuurlijk manifest onjuist.
Verhindering van toezicht
De verhindering kan voortkomen uit hetzij het feit zich te verzetten tegen
de sociale inspecteurs die vrij hun opdrachten moeten kunnen uitoefenen en
gebruik maken van hun wettelijke bevoegdheden, hetzij door het feit foutieve
inlichtingen aan hen te geven.
Een vrij volledig overzicht van
de diverse toepassingen wordt gegeven door G. Van De Mosselaer (Van De Mosselaer
G., De organisatie van sociale fraudebestrijding en de bevoegdheden van de
sociale inspecteurs in het licht van het Sociaal Strafwetboek, Wolters
Kluwer Belgium, 2025, 199-200).
Deze auteur schrijft dat een
passieve weerstand in een bepaald geval bepalend kan zijn voor het weerhouden
van de belemmering van het toezicht.
Maar hij voegt er onmiddellijk
aan toe : “Dit principe kent echter twee uitzonderingen : het recht op
stilzwijgen en het recht om niet bij te dragen tot de eigen beschuldiging”
(Van De Mosselaer G., l.c., 200).
Het zwijgrecht is een algemeen
strafrechtelijk rechtsbeginsel.
Het is een recht dat deel
uitmaakt van de waarborgen van een eerlijk proces en dat opgenomen is in
artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten en goedgekeurd door de Belgische wetgever.
Deze internationale norm heeft
voorrang op het intern recht en kent geen specifieke uitzondering in het
Sociaal Strafrecht.
Men kan anderzijds iemand ook niet dwingen om samen te werken bij de opsporing van de waarheid als dat tegenstrijdig is met zijn belangen : de rechtspraak van het EHRM bevestigt dat het zwijgrecht gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Hoedanigheid van de persoon waarin hij wordt verhoord
De Sociale Inspectie huldigt de regel dat als zij een burger verhoort als
getuige, deze niet over een zwijgrecht zou beschikken en dat dit zwijgrecht
maar zou voorbehouden zijn aan de verdachte.
Dit is onjuist : de ondervraagde
persoon zal zijn zwijgrecht mogen uitoefenen ongeacht in welke hoedanigheid hij
wordt verhoord : verdachte, slachtoffer, getuige onder eed of persoon gehoord
om inlichtingen (zie Koning F., Ik word verhoord – wat nu? Wolters
Kluwer 2015, 31).
Het maakt geen verschil dat de
ondervrager zou beweren dat de gestelde vragen worden gesteld als getuige en
dat zij niet tot zelfincriminatie zouden kunnen leiden : indien de ondervraagde
persoon dit anders aanvoelt, volstaat dit om zijn zwijgrecht uit te oefenen
door niet te antwoorden.
Het is m.a.w. de ondervraagde
persoon die vrij beslist al dan niet te antwoorden op de vragen die worden
gesteld, wat de ondervrager ook mag zeggen m.b.t. deze vragen (cf. Koning F., o.c.,
32, voetnoot 53, met verwijzing naar het arrest Saunders van het EHRM).
Het dient ook te worden
onderstreept dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen een getuigenis, dat
is een verklaring van een persoon die onder eed deze verklaring aflegt voor de
rechter en de verklaring van een persoon aan de Procureur des Konings, de
Politie of de Sociale Inspectie.
Deze laatste geldt enkel als een
inlichting. Nergens is bepaald dat tijdens een opsporingsonderzoek een getuige
verplicht is de waarheid te spreken en op elke vraag moet antwoorden, zoals wel
door de wet is voorgeschreven voor de getuigenis onder eed (cf. De Smet B., “De
uitsluitingsregel”, in Eed in strafzaken, APR-reeks, Wolters Kluwer,
2023, p. 252, nr. 506).
Terecht wordt bovendien gesteld
dat in het Belgisch recht geen overtreding “storing van het strafrechtelijk
onderzoek” zou bestaan die op
straffe van een boete of een andere strafrechtelijke sanctie aan de betrokkene
een medewerkingsplicht zou opleggen om zijn schuld te bekennen of zelf-
incriminerende informatie te bezorgen.
De belemmering van toezicht
(artikel 28 en 209 van het Sociaal Strafwetboek) daarentegen betreft een
materiële belemmering en niet het loutere feit van weigeren op vragen te
antwoorden en het zwijgrecht uit te oefenen (cf. Koning F., o.c., 36,
voetnoot 60).
Het is dan ook onaanvaardbaar dat
de Sociale Inspectie, zoals zij effectief poogt, onder het valse voorwendsel van
het zich niet kunnen beroepen op het zwijgrecht als getuige, werknemers
ondervraagt zogenaamd als getuige, waarbij zij verplicht zouden worden
verklaringen af te leggen, waarmee zij
zichzelf incrimineren als dader, mededader of medeplichtige aan sociale of
fiscale misdrijven, om dan nadien die verklaringen te gebruiken bij de
mogelijke vervolging van diezelfde werknemers.
Het kunstmatig onderscheid dat de
Sociale Inspectie daarbij blijkbaar wil maken tussen de hoedanigheid van “getuige”
en deze van “verdachte” is niet ernstig.
De verklaringen die de inspectie
dus op deze wijze afdwingt onder dwang en onwettige druk, dienen als nietig te
worden beschouwd en kunnen niet bijdragen tot enige schuldigverklaring, noch
van de betrokken werknemers zelf, noch van hun werkgever.
Wat het zwijgrecht aangaat,
gesteund op het non-self-incrimination principe, kan bovendien worden
aangestipt dat de door de inspectie verhoorde getuige, zich naast zijn eigen
zwijgrecht, meestal ook kan beroepen op het
zwijgrecht van de vennootschap rechtspersoon die verdacht wordt en waarvoor hij
werkzaam is.
Gelijk immers wie taken uitvoert
voor de rechtspersoon, kan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de
rechtspersoon in gedrang brengen en kan dus ook het zwijgrecht van die
rechtspersoon inroepen (Deruyck F. en Waeterinckx P., “De rechtspersoon in het
Strafprocesrecht – nieuwe ontwikkelingen”, in Traest P., Verhage A. en
Vermeulen G. (eds.), Strafrecht en Strafprocesrecht :doel of middel in een
veranderende samenleving?”, Wolters Kluwer, 2017, pp. 601-604, nrs. 24-25).
Tenslotte dient te worden
onderstreept dat inspecteurs, die de hoger aangehaalde onwettige tactiek
toepassen, des te meer in de fout gaan, indien zij geen uitvoering geven aan de
cautieplicht, die overeenkomstig artikel 62 Sociaal Strafwetboek op hen rust
m.b.t. de regels die bij het verhoor in acht dienen te worden genomen.
Wat meer is, werd in de
parlementaire voorbereiding van de zogenaamde “Wet Franchimont” een duidelijke
oproep gedaan om de waarborgen van de ondervraagde bij verhoren uit te breiden
naar alle verhoren, d.w.z. ook de verhoren die door de inspectie worden afgenomen
buiten elk strafrechtelijk onderzoek om (zie S. Renette, “Het verhoor door een
sociaal inspecteur”, Arbeidsrecht Journaal, 16 maart 2022, nrs. 2-6).
Renette schrijft dat op het terrein de praktijk de theorie zou hebben ingehaald in de zin dat de belangrijkste sociale inspectiediensten in gemeenschappelijk overleg zouden hebben beslist om bij het afnemen van een verhoor de voorschriften van artikel 47bis S.v. vrijwillig toe te passen (S. Renette, l.c., nr. 6).
Dit is echter nog geen veralgemeende praktijk, zo hebben wij tot onze spijt op het terrein mogen ervaren.
blogs overzicht